SKIP

TULA

sensomotorisch integratie programma voor de basisschool

Sensomotoriek is het begrip dat de nauwe samenwerking tussen zintuiglijke waarneming (sensoriek) en beweging (motoriek) insluit. Het is het proces waarbij prikkels (zien, horen, voelen, evenwicht, ruimtelijke zin) worden verwerkt om doelgerichte bewegingen mogelijk te maken, zoals een bal vangen of lopen. Het is cruciaal voor de ontwikkeling. Het woord is een samenstelling: sensoriek en motoriek. Onder sensoriek verstaat men het opdoen van prikkels van de zintuigen zoals zien, horen en voelen. Het tweede woord motoriek betekent het vermogen om te bewegen. Sensomotoriek is dus de koppeling tussen de zintuigen en het vermogen om te bewegen. Voor elk kind is een goede sensomotorische ontwikkeling van groot belang. Verstoring in de motorische en/of sensomotorische ontwikkeling kan een weerslag hebben op andere aspecten van de ontwikkeling zoals het sociaal en/of psychisch functioneren.

Kun je de sensomotorische ontwikkeling bij kinderen stimuleren en trainen?

Jazeker, dat gebeurt bij kleine kinderen tot een jaar of zes door heel veel ervaringen. Door gebruik te maken van de zintuigen in het spelen, doet een kind ervaring op over de wereld. Een baby maakt kennis met een rammelaar. Het kind voelt met zowel de mond als de handen dat de rammelaar op bepaalde plekken glad en op andere plekken geribbeld aanvoelt en als je ermee schudt dan gaat het rammelen. Deze informatie, die via de zintuigen wordt verkregen, wordt opgeslagen in de hersenen.

Ook kinderen tussen hun zesde en twaalfde levensjaar moeten nog veel van de wereld ontdekken via sensorische en motorische ervaringen. We vergeten in het onderwijs dat dit de basis vormt voor al het leren, ook voor taal en rekenen. Een sensomotorisch oefenprogramma kan het hele leerproces ondersteunen. De vraag is hoe zo’n programma als het niet individueel is toegesneden op klassikaal niveau in elkaar kan zitten. Het wordt veel gedaan met allerlei materialen die de sensomotorische gevoeligheid stimuleren, maar die richten zich vooral op het jonge kind in de groepen 1 t/m 3. Hoe staat het met de groepen daarna?

Een van de tactieken is om het ‘bewegend leren’ te introduceren. Bewegend leren draait niet om het toevoegen van beweging aan een les, maar om het transformeren van je lessen tot actieve, interactieve ervaringen. Hierbij gebruik je beweging niet als doel op zich, maar als krachtig middel om leerstof tot leven te brengen. Of het nu gaat om rekenen, taal of geschiedenis, door bewegen en leren te combineren blijven leerlingen actiever betrokken en onthouden ze de stof beter. Leren wordt leuker, energieker en effectiever, terwijl de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen wordt gestimuleerd. Bewegend leren is dus een alternatieve manier om je onderwijs vormt te geven, waarbij bewegen een vast onderdeel wordt van de lessen. Hier zijn veel materialen voor ontwikkeld zoals pittenzakjes met getallen er op, grote rekenmatten met een honderdveld en spelpakketten voor spelling.

Dit is een onderwijsvisie en daarbij vormt beweging een wezenlijk onderdeel van het leerproces, maar er is ook een optie om het bewegen ter bevordering van de sensomotorische ontwikkeling vorm te geven zonder dat te doen.

Deze vorm is onder meer ontwikkeld door een Zwitserse basisschooldocent Edi Buser die op zijn school met een eigen materiaalbestand werkte. In zijn visie waren bewegingsonderdelen geen onderdeel van het onderwijsprogramma zoals beschreven door ‘bewegend leren’ en ook geen bewegingsactiviteiten naast het reguliere programma. Daarmee lijkt zijn visie op die van Tula.

De visie van Tula

Het woord Tula is een Sanskriet begrip dat balans en evenwicht betekent. Het staat ook voor een uitgebalanceerd leven. Balans is een centraal begrip in het Tula programma. Het doel is om kinderen in balans te brengen zowel innerlijk als fysiek. Het verbeteren van motorische vaardigheden, mentale evenwichtigheid en sensomotorische vaardigheid zijn concrete doelen.

Het Tula programma is een sensomotorisch klassikaal integratie programma voor de groepen 3 t/m 8 van de basisschool. Het programma beoogt de sensomotorische ontwikkeling van kinderen in goede banen te leiden en te koppelen aan cognitieve activiteiten.

Het uitgangspunt van het Tula programma is dat oefeningen zowel op zichzelf kunnen worden gedaan onder leiding van de eigen docent, maar ook met onderdelen van het curriculum verrijkt. Dat betekent dat oefeningen met zakjes en balletjes in de lagere klassen kunnen worden gebruikt om getallen mee te oefenen, rijtjes mee te reciteren, tafelrijen klassikaal ritmisch op te zeggen. Het kan ook gebruikt worden om in de hogere klassen te balanceren en tegelijkertijd een gedicht te reciteren of Engelse woordjes te oefenen. Dan is het doelgericht bewegen ondersteunend bij het oefenen van leerstofonderdelen.

Het Tula programma is een zeer uitgebreid oefenprogramma voor het basisonderwijs dat je met hele klassen doet. Het is uitdrukkelijk niet bedoeld als individueel of therapeutisch programma.

Het Tula programma start in groep 3 en loopt door tot het einde van de basisschool. Het bestaat uit een breed scala aan oefeningen die een samenhangend geheel vormen. Door alle klassen heen vormen oefeningen met zakjes (gevuld met heel fijn grind), balletjes en balansborden de basis. Daarnaast is er een uitgebreid programma per klas.

In grote lijnen is het programma verdeeld in drie blokken van elk twee leerjaren:

  1. Het programma voor de klassen 1 en 2 (groep 3 en 4)
  2. Het programma voor de klassen 3 en 4 (groep 5 en 6)
  3. Het programma voor de klassen 5 en 6 (groep 7 en 8)

Waarom werken aan bewegen en sport?

Samen sporten en bewegen heeft een sterk verband heeft met mentaal welbevinden. Door in de klas en daarbuiten te bewegen, hebben leerlingen meer plezier.

Het draagt bij aan de ontwikkeling van sociaal-emotionele vaardigheden, zoals samenwerken en met winst en verlies omgaan.

Bewegen en sporten verbetert de gezondheid, motoriek en welbevinden van leerlingen en draagt bij aan hun sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling. 

Leerlingen ontwikkelen plezier in bewegen, doordat zij motorisch vaardig worden en daardoor succeservaringen opdoen.  

Wie op jonge leeftijd plezier ervaart in sporten en bewegen, ontwikkelt vaak een actieve leefstijl op latere leeftijd. 

Korte beweegmomenten van 5 tot 10 minuten tijdens de schooldag zorgen ervoor dat leerlingen zich beter kunnen concentreren in de les.

Daarnaast ontwikkelen ze een gezondere leefstijl. En leerlingen met een gezonde leefstijl presteren beter op school.